Tot in eeuwigheid

De kamer verwelkomt me met een kleurige kindertekening op de deur. In grote blauwe letters staat er “Oma 100”, de rest van de tekening bestaat uit kleinere 100tjes in rood en groen, met hier en daar een bloem. Als ik aanbel en de deur opendraai (het aanbellen dient louter en alleen ter aankondiging, de mensen weten dat al en doen de deur al niet eens meer spontaan open) zie ik in een stoel bij het raam een klein vrouwtje zitten met sneeuwwitte haren. Haar bekkie verraadt dat ze geen kunstgebit in heeft en ze verstaat me nog steeds maar nauwelijks als ik – naast haar staand – in haar oor schreeuw dat ik kom schoonmaken.
“Dat is goed hoor, ga je gang maar,” zegt ze en dus begin ik, mijn routine volgend, aan de wc en de badkamer.

Terwijl ik haar remsporen uit de wc schrob, hoor ik mevrouw K. achter me beginnen te neuriën. Eerst een oud Hollands liedje, dan iets wat onherkenbaar en eigenlijk gewoon helemaal nergens naar klinkt (zingen en je keel schrapen gaan nu eenmaal niet goed samen). Dan spits ik mijn oren, mevrouw K. neuriet hakkelig maar duidelijk iets herkenbaars. Iets uit mijn jeugd.. ineens herken ik het en zing ik zachtjes de woorden die ik nog weet: “U zij de glorie, opgestane Heer, u zij de victorie, nu en immermeer.” Het neuriën gaat langzaam en aritmisch maar het is overduidelijk dit lied. Ik glimlach terwijl ik naar de schoonmaakkar loop om spullen voor de keuken te pakken.

Dan begint mevrouw K. te prevelen. Een gebed, de woorden van een gedichtje? Langzaam versta ik het beter, mevrouw herhaalt hetzelfde steeds opnieuw.
“Heer als het moet, geef mij de moed”, ik sop het aanrecht in, “het hout met u te dragen. Jezus ik vrage waarom gij drage”, ik spoel mijn spons uit, “het hout van de schande naar Golgotha. Maar hoe het ook zij”, ik neem de gootsteen af, “geef mij de macht en de kracht en de heerlijkheid tot in eeu-wig-heid.”
Ik moet zachtjes grinniken, het staccato, vastberaden ‘eeuwigheid’. Het komende kwartier hoor ik niets anders, flarden van hetzelfde gebedje. Soms rijmt ze op een woord verder, associatief, begint dan abrupt weer opnieuw, of juist ergens halverwege. Als iets tijdens het afstoffen met veel kabaal bijna van de muur afdondert, heeft mevrouw K. niets gemerkt.
“Geef mij de moed het hout met u te dragen.” Als ik niet op pas word ik er nog melig van.

Ik laat haar zien dat het ding bijna van de muur komt en zo hebben we een klein gesprekje, waarin zij antwoordt op wat zij denkt dat ik heb gezegd. Dat levert een interessante monoloog op. Ik bied haar een kop koffie aan en zodra ik naar de keuken loop, begint het geprevel weer. Ik glimlach en maak mijn schoonmaakroutine af. Ik dweil mezelf naar de voordeur en neem afscheid.
“Nou, mevrouw, het is weer klaar, hoor!”
Mevrouw K. glimlacht. “Het interesseert me geen zak. Het zal mijn tijd wel duren.”
Ik grijns, doe de deur half dicht en zwaai. “Dag mevrouw, fijne dag nog hè!”
“Dag hoor” mompelt ze.
Ik trek de deur dicht. “Tot in eeu-wig-heid”.

Published by