Dag werk!

Om zeven uur ’s ochtends zit ik aan mijn kleine vierkante houten tafeltje. Rechts van me staat de koelkast, rechts achter me de kast. Ik kan overal bij zonder op te staan. Ik schenk een beker melk in. Ik smeer een roggebroodje met kaas en maak twee stuks fruit klaar als ontbijt. Dan smeer ik vier boterhammen met boter. Twee boterhammen beleg ik met het ene beleg en stop het in mijn herbruikbare boterhamzakje. De andere twee boterhammen beleg ik met het andere beleg en stop het in een plastic broodzak die ik ervoor heb bewaard. De boterhamzakjes leg ik op de vensterbank, net als een banaan, een boterhamzakje met een stuk oudewijvenkoek en mijn dopperfles gevuld met koud water. Die gaan mee in mijn tas. De rest van de spullen op tafel ruim ik weer op in de koelkast, eet ik op of stop ik in de afwasteil.

Om vijf voor half acht loop ik naar beneden. Ik trek mijn jas aan, draai de twee sloten van de achterdeur en het slot van de schuur open. Mijn rugtas gaat in mijn rechterfietstas, mijn werkjas en regenjas in mijn linkerfietstas, mijn telefoon in mijn jaszak. Daar gaan we, de wijk uit, bij het station linksaf, rechtsaf de randweg op en dan alleen maar rechtdoor tot in op de Staart ben. Onderweg kom ik groepjes scholieren tegen, sommigen stil en slaperig, anderen luidruchtig en bijdehand. Tussen de scholieren door herken ik een aantal gezichten, mensen die hier – net als ik – iedere morgen fietsen op weg naar hun werk. Een man van in de zestig met een prachtig grijs kort baardje, die altijd heel vriendelijk knikt en glimlacht. Een lange gozer van in de dertig met rossig haar en een knalblauwe jas, die eerst nooit keek maar me nu verlegen groet. En een jongen van eind twintig in een legerjas op een Puch, die altijd naar me grijnst. Om acht minuten voor acht fiets ik de wijk in, en om vijf minuten voor acht zet ik mijn fiets op slot en trek ik mijn werkjas aan. In mijn linkerzak het briefje met adressen en een pen, in mijn rechterzak mijn telefoon om de tijd in de gaten te houden. Daar gaan we dan maar weer.

(Meestal) drie bewoners per dag. Van acht tot tien bij de eerste, van tien tot twaalf bij de volgende, en na een halfuurtje lunchpauze van half één tot half drie bij de laatste. En ze zijn allemaal anders. De één biedt me koffie of thee aan en zit zo een half uur met me te kletsen, de ander laat me binnen en zet me zwijgend aan het werk tot ik weer weg ga. De één vindt alles prima en laat me mijn gang gaan, de ander heeft overal zijn/haar ideeën over en dicteert me precies hoe ik alles moet doen. (Weer een ander is zo dement dat hij/zij niet eens meer weet dat er moet worden schoongemaakt, waarvoor ik kom of waar de schoonmaakspullen liggen.) De één merkt op dat ik een nieuw gezicht ben en vraagt geïnteresseerd door over hoelang ik hier al werk, of ik nog studeer en waar naartoe ik op reis ga, de ander vraagt niks en weet als ik wegga nog ternauwernood hoe ik heet, alleen maar omdat ik mezelf heb voorgesteld. De één helpt nog ijverig mee waardoor ik alleen maar hoef te stofzuigen en dweilen (en soms de badkamer een beurt geven), de ander zit de hele middag in de grote stoel tv te kijken, de krant te lezen of in te dutten. De één is nog heel actief, doet aan activiteiten van het huis mee en gaat beneden in het restaurant eten, de ander zit de hele dag stil en alleen thuis en krijgt het eten in een schaal kant en klaar aangeboden door de maaltijdenservice van het huis. De één vindt dat eten heel erg lekker, de ander vindt het “niet te vreten en schandalig dat dit wordt geserveerd”. De één klaagt over alles, de ander blijft altijd vrolijk en vriendelijk. De één vindt de ouderdom verschrikkelijk (lichamelijke en mentale achteruitgang die niet te stoppen is), de ander vindt de ouderdom niet zo erg (‘Het hoort erbij”, “we worden hier goed verzorgd hoor” en “we hebben toch een mooi leven gehad”).

Maar ondanks de verschillen zijn de meeste bewoners ook heel erg hetzelfde. Bijna allemaal hebben ze donkere eikenhouten kasten en meubels. Bijna allemaal hebben ze een bijzettafeltje met zo’n bak eronder voor tijdschriften en kranten. Bijna allemaal hebben ze kleedjes op tafeltjes met daarop eindeloos veel beeldjes, vaasjes en fotolijstjes. Bijna allemaal hebben ze een rollator en een ingeklapte rolstoel in de gang of de berging. Bijna allemaal hebben ze van die donkerblauwe verbandsloffen met een enorm klittenband. Bijna allemaal hebben ze steunkousen in van die beige omasandalen met drie bandjes. Bijna allemaal dragen ze een pantalon (met strijkvouw) met een polyester blouse (maat XXL waarin je de drie bulten (borsten, buik, onderbuik) niet zo ziet) en daaroverheen een giletje in een vergelijkbare kleur. En bijna allemaal mankeren ze wat.

IMG_20150909_082832

(Meestal) drie bewoners per dag. Steeds weer op zoek naar schoonmaakdoekjes, emmers en flessen met schoonmaakmiddel. Iedere drie weken heb ik andere bewoners (invalhulp, ach ja) en iedere bewoner bewaart zijn spullen weer net op een andere plek, waardoor ik steeds loop te zoeken. En ondertussen begin ik zelfs voorkeur te ontwikkelen voor bepaalde middelen. Dikbleek in de WC vind ik verschrikkelijk, het stinkt zo chemisch dat ik er hoofdpijn van krijg. Normale WC-eend kan er mee door, WC-eend Extra Parfum Lavendel Fresh is beter, maar WC eend Extra Parfum – Ocean Fresh is weer teveel van het goede. Allesreiniger Alpen Fris is niet te harden, Allesreiniger Bloemen ruikt chemisch maar Allesreiniger Eucalyptus maakt me blij. Gele VEPA vaatdoeken maken van geen meter schoon, microvezeldoekjes werken daarentegen weer prima. En stofdoeken hebben geen functie, negen van de tien keer zie je het stof enkele seconden later weer neerdalen: nat afnemen werkt beter, maar daar kunnen de donkere gebeitste meubelen vaak niet tegen.

Vijftien weken lang fietste ik vier tot vijf dagen per week met vier boterhammen, een banaan en een stuk oudewijvenkoek in mijn tas de rondweg uit naar de Staart. Vijftien weken lang leerde ik telkens nieuwe mensen kennen en mocht ik bij al die mensen binnen kijken en hen helpen met de huishouding. ‘Mijn’ bewoners waren heel divers, van redelijk jong, enthousiast en goed van gezondheid tot stokoud, blind en doodongelukkig. Van vriendelijk en behulpzaam tot chagrijnig of ronduit onaardig. Telkens zag ik tegen de dag op, maar ook telkens was het alweer lunchpauze voor ik erg in had. Ik telde de weken af en voor ik het wist was het zo ver. Nu heb ik mijn werkjas voor de laatste keer uitgedaan en hem samen met mijn werknemerspasje ingeleverd bij het kantoor. Ik ben weer zo vrij als een vogel. En binnenkort zal ik naar Beijing vliegen voor een nieuw avontuur.

Dag (lieve) bewoners.
Dag Haringvlietstraat.
Dag Staart.
Dag!

One thought

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s